Een gokje wagen

Ik houd niet van gokken. Toch waag ik wel eens een gokje als mijn vrouw en ik naar de Miljoenenjacht van de Postcodeloterij kijken. Tijdens de uitzending kun je kans maken op maar liefst 10.000 euro als je een sms-je naar het nummer 3030 stuurt. Een fijn bedrag en voor de kosten van zo’n berichtje (ongeveer 50 cent) hoef je het niet te laten. Tegelijkertijd is het eigenlijk een rare gedachte. Als je niet van gokken houdt, moet je dit niet doen én zou je ook niet naar dit programma moeten kijken. Maar goed, het vlees is zwak en je krijgt toch een beetje een hebberig gevoel van de door Linda de Mol gepresenteerde show.

Toen de bank mij jaren geleden voorstelde om een beleggingsrekening te openen, bedankte ik voor de eer. Sorry, ik heb er geen zin in om mijn zuurverdiende geld in de waagschaal te gooien. ¨Maar meneer, er zijn nauwelijks risico’s aan verbonden.¨ Onzin natuurlijk. Bij het gokken gaat het juist om risico. Des te hoger het risico, des te meer valt er te winnen en te verliezen. Net zoals in Miljoenenjacht. Het fascineert mij juist dat het toeval zo’n grote rol speelt. Meer nog dan dat ik zelf naast Linda voor het duivelse dilemma van wel of niet doorspelen kom te staan. Wie weet druk ik wel te vroeg op de knop of ga ik te lang door.

Afgelopen zondag was de laatste aflevering van dit seizoen. De winnaar won een prachtig bedrag van 175.000 euro. Ik keek even op Twitter naar de reacties van een aantal kijkers en kwam het woord ‘kansspelbelasting’ tegen. Tja, de belastingdienst wil natuurlijk ook een graantje meepikken. 29 procent om precies te zijn. Dit wordt door de Postcodeloterij zelf afgedragen en de voorgenoemde winnaar zal dus geen 175.000 maar 124.250 euro ontvangen. Met het sms-spel kun je geen 10.000 euro winnen, maar daar blijft na aftrek van de belasting 7.100 euro van over. Dat zijn toch hele andere bedragen! Ik geef toe, het blijft allemaal veel geld. Maar ik zou een stuk minder snel naar mijn telefoon grijpen als ik wist dat er zoveel afgedragen moest worden.

De Postcodeloterij schenkt 50 procent van hun opbrengst aan goede doelen, 20 procent gaat naar marketing en andere kosten en 30 procent is prijzengeld. Eigenlijk dus maar een klein deel. Waarschijnlijk zien ze zichzelf vooral als goede-doelen-organisatie. Maar het is niet aan mij besteed. Je kunt nog altijd beter een vast bedrag per maand sparen dan ermee te gokken. De kans dat je wint is heel erg klein.

Telefonische verkoop

Iemand probeerde me laatst weer iets telefonisch te verkopen. Stomvervelend. De man aan de andere kant van de lijn vroeg wat ik zou doen als er brand in ‘mijn bedrijfspand’ zou uitbreken. Ik zei dat ik altijd alle brandjes zelf blus. En waarmee ik dan ging blussen: water, zand of CO2. Ik zei: ‘Meestal met alle drie, zodat ik zeker weet dat het allemaal goed komt.’ Nog een paar woorden ter afronding en toen was het gesprek alweer afgelopen. Ik geef toe, een beetje kinderachtig van mij om zo te reageren. En ik ben zeker een voorstander van brandpreventie en sta ook geheel achter het feit dat je hier niet te licht over moet denken. Maar het gaat om het principe. Ik koop niet aan de deur en ook niet aan de telefoon. Vooral niet van iemand die is ingehuurd door een bedrijf om een bepaald target te halen.

Jaren geleden belde er iemand van een factoringsbedrijf. Toevallig had ik net te maken gehad met een niet-betalende klant en ik zat daar op dat moment mee in mijn maag. Anders had ik allang opgehangen. De beller had een vasthoudendheid om ¨u¨ tegen te zeggen. Het lukte mij niet om een zinnig antwoord op zijn vragen te geven en hij hield me maar aan de praat. Op een gegeven moment wist de man me het gevoel te geven dat ik een torenhoog probleem had. Alsof niemand mijn facturen betaalt. Terwijl dat juist heel erg meevalt. In al die jaren slechts 1 debiteur die niet betaald heeft. Uit verhalen heb ik gehoord dat sommige factoringsbedrijven ook wel erg voortvarend te werk gaan en 1 dag na de verstreken termijn al actie ondernemen. Vaak wordt de ondernemer daar dan zelf op aangekeken.

Vlak nadat ik mij als zzp-er had ingeschreven, werd ik gebeld door iemand of mijn bedrijfsnaam op hun site vermeld mocht worden. Ik zou dan de vindbaarheid van mijn bedrijf vergroten en ze garandeerden 10 nieuwe klanten voor het komende jaar. De prijs van 360 euro vond ik aan de hoge kant. Toen ik het gesprek wou afronden, deed de dame een nieuw aanbod: het mocht ook voor 200 euro. Dat er in een paar minuten zomaar 160 euro afging, had me aan het denken moeten zetten. Maar naïef als ik was ging ik akkoord. Een jaar lang stond ik op een bedrijvenpagina. Een jaar later werd ik gebeld met de vraag of ik het contract wou verlengen. Ik zei dat het me geen goed plan leek. De vermelding had mij geen nieuwe klanten opgeleverd, zoals beloofd. De dame zei dat er weliswaar veel verwijzingen naar mijn site waren geweest. Maar dat had in elk geval niks opgeleverd! Een leuk staaltje van bedrog. Gemakkelijk geld verdienen.

Nog brutaler was de dame die meldde dat ik al op hun website vermeld stond, terwijl een snelle check van mijn kant het tegendeel bewees. ¨We hebben uw vermelding er tijdelijk afgehaald, omdat uw contract voorbij is.¨
Ik zei dat er geen sprake is van een contract; ik had van het hele bedrijf zelfs nog niet gehoord. Alhoewel, toch. Een jaar eerder hadden ze me ook al gebeld met de vraag of ik mijn contract wou verlengen. Maar toen was ik nog niet eens met mijn bedrijf begonnen!

Misschien dwaal ik af en zijn dit soort wanpraktijken niet te vergelijken met het brandpreventiebedrijf waarmee ik dit stukje begon. Maar telefonische verkoop is en blijft vervelend. Eigenlijk zou het verboden moeten worden. Want bij iedere aankoop heb je recht op een redelijke bedenktijd. En die wordt er dan vaak niet bij vermeld.

Nepberichten

Sommige mensen vertrouwen blindelings op alles wat er door de media verkondigd wordt. De ene na de andere onzinnige kreet wordt ongefundeerd de wereld in gegooid. Zo schijnen de huidige generatie twintigers allemaal minstens honderd jaar oud te worden en leven mensen met een groot Facebook netwerk langer. Waar deze stellingen op gebaseerd zijn blijft onduidelijk.

Het is natuurlijk ook gemakkelijk om tegenwoordig iets de wereld in te slingeren. Zet een verzonnen stelling op Twitter en in no-time is het gedeeld door honderden mensen. Maar dat ook websites als nu.nl zich hiermee bezighouden vind ik buitengewoon teleurstellend.

Je zou kunnen denken dat dit geen kwaad kan en dat de meesten wel doorhebben dat het om een echt of verzonnen bericht gaat. Maar reken er maar op dat veel populistische slogans klakkeloos geloofd worden, ook al klopt er geen hout van. Berichten dat ‘die buitenlanders’ bergen geld krijgen als ze in Nederland aankloppen zijn wel erg geromantiseerd, maar toch zie ik ze regelmatig op mijn tijdlijn voorbij komen en gedeeld worden door duizenden mensen. De kritiek is dan niet van de lucht. Kritiek op iets wat verzonnen is. Iets wat mensen opfokt. Iets dat er voor zorgt dat andere mensen met de nek aangekeken worden. ‘Ik heb het gelezen op internet dus het zal wel waar zijn.’ 
Websites als Nieuwspaal en De Speld schudden de boel op. Ze schrijven nepberichten om mensen aan het lachen te krijgen. Toch trapt menigeen erin. Zo gebeurt het regelmatig dat hun grappig bedoelde artikelen massaal worden gedeeld en talloze emotionele reacties opleveren. Niet iedereen heeft hetzelfde gevoel voor humor. Niet iedereen heeft het inzicht om in te zien wat echt is en wat niet. Vroeger las je hooguit 1 keer per jaar een satirisch artikel in de krant. Dan wist je gelijk wat voor dag het was: 1 april.

Gootsteen

Langzamerhand raak ik er aan gewend dat ik tijdens ons koffie-uurtje bij oma haar gootsteen hoor borrelen. Waarschijnlijk heeft ze weer overgebleven jus en vet door de afvoer gegooid, zodat de boel weer langzaam aan het dichtslibben is. Een aantal jaren terug zat het zo vast dat ik een rioleringsbedrijf moest bellen. De loodgieter concludeerde niet alleen dat de boel muurvast zat, maar dat oma ook ladingen ontstopper had gebruikt. Iets wat ze zelf ontkende.

Ik als kleinzoon mag daar niets van zeggen. Zo had ik een keer het lef om te beginnen over een eerder incident in haar vorige huis. Met man en macht probeerden de loodgieters wat leven in de brouwerij te krijgen. Iets dat na lang spoelen lukte. Oma had zich erover beklaagd. Wat hadden ze een rommel gemaakt. Die kerels lopen zomaar met vieze voeten naar binnen en het hele achterhuis was vies. Dat zij al jarenlang hele ladingen vet en rotzooi door de gootsteen gooide mocht geen naam hebben. Ik had ongelijk en het lag aan de leidingen onder het huis. Alle buren hadden er ook last van. Bij navraag bleek dat niet zo te zijn.
Vanmorgen kwam ik de oude werkster van mijn oudtante tegen. Zij woonde dik twintig jaar geleden in de aanleunwoning recht tegenover waar mijn oma nu woont. Samen met de werkster haalde ik wat herinneringen op. We konden natuurlijk niet om haar dementie heen. Heel langzaam werd het duidelijk dat ze allerlei rare fratsen aan het uithalen was. Zo had ze een keer soep in de gootsteen laten lopen. Wat niet door het roostertje kon, zoog ze op … met een stofzuiger! 
Oude mensen en gootstenen, een gevaarlijke combinatie! 

Geen mening

Mopperend trekt hij de conclusie: de mensen gaan de straat niet meer op. Het is één en al individualisme. Niemand lijkt zich meer te bekommeren om een ander. De man voelt zichzelf een echte ouderwetse vertegenwoordiger van het volk. Hij komt op voor de gewone man en heeft schijt aan geldverslindende kapitalisten.

Vroeger werd er nog wel eens een demonstratie gehouden. Dan gingen we de straat op, zegt hij. Toen leken mensen zich nog bezig te houden met ‘grote zaken’. Nu is het allemaal oppervlakkig. Al die huiselijke verhaaltjes op Facebook. Is dat waar mensen zich nu mee bezig houden?

De tijden zijn veranderd. Ik heb als kind ook eens met mijn ouders meegelopen met een kernwapen-demonstratie. In die periode, begin jaren tachtig, werd er veel gedemonstreerd en je zou kunnen zeggen dat het toen ook een beetje een hype was. Want de wereld is er niet eerlijker en rechtvaardiger op geworden in de tussentijd. Toch wordt er een stuk minder gedemonstreerd.

Laten zien dat je betrokken bent bij maatschappelijke ontwikkelingen wordt als normaal gezien. Je moet toch overal een beetje over kunnen meepraten. Als je ergens geen mening over hebt, dan wordt je meewaring aangekeken. Er wordt bijna van je verwacht dat je over de meeste dingen wel een mening hebt.
Maar er is gewoon teveel. Teveel media, teveel onderwerpen, teveel mensen waarover je een mening zou kunnen hebben.

Ik betrap me erop dat er, bij het ouder worden, steeds meer dingen bij komen waar ik dus geen mening over heb. Niet omdat het me niet interesseert, maar omdat dingen te complex zijn of te diffuus. Dit weekend had ik het met vrienden over de wet die er zou komen om het mogelijk te maken dat mensen vroegtijdig uit het leven stappen. Ik breidde al snel een eind aan het gesprek, want dit is zo’n lastig onderwerp waarover je eigenlijk niet kunt oordelen als je er nog nooit mee te maken hebt gehad. Zelfde met zaken als abortus. Het is lekker gemakkelijk om met je mening klaar te staan terwijl je het sowieso als man al niet kunt vatten hoe het is om een kind bij je te dragen. Geen mening hebben is niet hetzelfde als niet nadenken. Sterker nog, als je vaak even langer over iets nadenkt kom je tot de conclusie dat het niet zo eenvoudig is om er over te oordelen.

Het idee dat we allemaal onze blik moeten verbreden wijs ik af. Het is geen schande om af en toe je schouders op te halen over zaken in onze onoverzichtelijke, drukke wereld.