Scheuveln



De liefhebbers kunnen zich weer uitleven op de schaatsbaan, die op het Museumplein is geïnstalleerd. Update 8 februari: Vandalen hebben het ijs vernield en de baan wordt weer afgebroken voordat iemand er op heeft kunnen schaatsen. 🙁

Ik ben, vanwege zwakke enkels, niet zo’n schaatser. De laatste keer stond ik op ijshockeyschaatsen in Kardinge (Groningen). Na een hoop valpartijen kreeg ik eindelijk de slag te pakken, maar toen was het alweer tijd om naar huis te gaan.

Toen ik een jaar of zeven was ging ik wel eens met een buurmeisje naar de ijsbaan. Die was zo’n 800 meter van ons huis vandaan en daar konden we dus lopend heen. Op een dag was het ijs van mindere kwaliteit en we werden op voorhand gewaarschuwd voor een aantal grote wakken. Omdat ik mezelf al schaatsend niet goed onder controle had, was het dus niet zo vreemd dat ik niet goed bijstuurde en recht in een wak reed. Een paar mannen zagen mij opeens in het water vallen en schoten te hulp. Ze konden me er gelukkig uit trekken. Wel moest ik in mijn natte kleren naar huis lopen. Dan is 800 meter best ver. Mijn moeder zei: “Wat heb jij nou weer gedaan?”

Zakcomputer

20180126_120737.jpg

Toen de meeste mensen er nog niks van wilden weten (’97) had mijn pa er wel eentje: een zakcomputer. Of PDA (Personal Digital Assistant) genaamd. Er zat een adressenboek in, een digitaal notitieblok, volgens mij ook een agenda. Met maar liefst 8 megabyte geheugen. Ik werd er aan herinnerd toen ik een advertentie zag in 1 van de Q-magazines van mijn zwager. Tegenwoordig hebben we bijna allemaal een zakcomputer in de vorm van een smartphone. Die zijn een stuk sneller, kleuriger en kleiner dan die voorgangers. En geen 8 megabyte maar 8 gigabyte. Maar ook veel verslavender. Al heb ik daar niet zoveel last van. Ik laat het ding gemakkelijk een dag met rust. Heb er nauwelijks apps op geïnstalleerd. Geen gepiep, alleen getril. Wel zo fijn.

Noord

Tijdens de eerste vakantie zonder mijn ouders stelde ik mezelf voor aan de mensen die naast ons appartement zaten. Ik zei dat ik uit ‘Groningen’ kwam. De man begon te proesten van het lachen en keek me aan alsof ik een geintje maakte. ‘Zo, zo, uit Groningen.’ Het gesprek was daarna snel ten einde. Ik ging naar binnen en vroeg me af wat ik verkeerd had gezegd. Toen drong het tot me door: op een eerdere vakantie riep iemand me na toen ik tegen mijn vader zei dat het “viefendatteg groaden!” was. Dat was blijkbaar zo amusant dat het me de rest van de vakantie achterna werd geroepen.

Nou ben ik niet zo snel van mijn stuk gebracht als iemand me beledigt of op wat voor manier dan ook uit de tent probeert te lokken. Maar er zijn legio Groningers die zich gediscrimineerd voelen als ze door iemand uit (bijvoorbeeld) de Randstad als een soort van inboorlingen van Nederland worden beschouwd. Volgens sommigen houdt alles boven Zwolle op. Daniël Lohues schreef eens in een column dat hij een stel uit ‘het westen’ hoorde zeggen dat ze het belangrijk vinden om een achtergebleven gebied als Drenthe een financiële impuls te geven door ons vakantiegeld er uit te geven.” Econome Heleen Mees stelde al eens voor dat wij Noorderlingen beter konden emigreren naar de grote steden in het westen, dan hadden we ook geen last van de aardbevingen. Jort Kelder zei laatst bij Jinek dat ‘niemand vrijwillig in Oost-Groningen gaat wonen’.

Er zijn zelfs mensen die ons Noorderlingen maar een bekrompen volkje vinden terwijl ze Amsterdam nog nooit uit zijn geweest.

Laat ze maar praten, denk ik vaak. Maar heel af en toe begint het mij ook te irriteren. Harde grappen maken over de problematiek die is ontstaan door de gasboringen zijn wat mij betreft ongewenst. Zeker omdat heel Nederland profiteert van het gas dat hier wordt gewonnen. Heel veel mensen zitten met de gebakken peren en zien de scheuren in hun huis met iedere nieuwe aardbeving groter worden. Hopelijk is een beetje respect niet teveel gevraagd; de Amsterdammer Theodor Holman heeft de Groningers in elk geval met deze column een steuntje in de rug gegeven. Dank u.

Vroeger en nu

Je hoort vaak dat het goed is om zoveel mogelijk in het moment te leven. Maar wat is het jammer als je het jezelf ontzegt om af en toe eens terug te kijken naar je verleden. Zo bedacht ik me dat als ik tien jaar geleden de foto’s die ik tijdens deze kerstdagen heb gemaakt had kunnen zien, ik er met veel verbazing naar had gekeken. Want ik had werkelijk niemand herkend. Nu is dat ook niet zo vreemd, als je nagaat dat ik al die mensen pas in de afgelopen negen jaar heb ontmoet.

Met het overlijden van mijn oma in juni dit jaar ben ik zo langzamerhand de laatste overlevende van mijn familie (op mijn oom en tante en mijn neef na). Wellicht een twijfelachtige eer, die vrij normaal is voor mensen die veertig jaar ouder dan mij zijn. Gelukkig voel ik mij allang geen vreemde eend in de bijt meer, temidden van mensen die elkaar al een leven lang kennen. Mijn vader is (tot zijn overlijden) maar een paar maanden getrouwd geweest met zijn tweede vrouw, maar sinds die tijd heb ik er een hele familie bij gekregen. Ook toen ik bijna vier jaar geleden mijn vrouw ontmoette kreeg ik er een hele club mensen bij, groter dan mijn eigen familie ooit is geweest.

Mochten mijn ouders op de 1 of andere manier nog iets van deze tijd meekrijgen, dan kunnen ze gerust zijn: ik ben niet alleen achtergebleven. Toen zij overleden was ik nog vrijgezel en leek het er niet op dat ik ooit nog een partner zou vinden. Maar dat de wonderen de wereld niet uit zijn, is een wonder op zich. Vijf jaar geleden was ik nog een verstokte vrijgezel, inmiddels ben ik bijna twee jaar gelukkig getrouwd en moet ik er niet meer aan denken om weer alleen door het leven te gaan. Wat overigens niet inhoudt dat ik al die jaren dat ik alleen was als verloren tijd zie. Ik weet ook dat er mensen zijn die juist eenzaam zijn ín hun relatie en zich pas beter voelen als ze weer alleen zijn. Of juist niet alleen kunnen zijn en daarom maar in een slechte relatie blijven hangen.

Voor mijn vrouw is het vreemd om geen schoonouders te hebben; maar het is mooi dat mijn oom en tante het goed met haar en d’r ouders kunnen vinden en ook meer dan bereid waren om mijn getuigen te zijn tijdens ons huwelijk. Eens per maand eten we met zijn zessen en koken we om de beurt.

Wat een mooie verbindende factor is met mijn ‘tweede’ familie, is dat ik de neefjes en nichtjes van kleins af aan zie opgroeien. Zo zie je alle kinderfases (in een naar je gevoel korte periode) voorbij komen, wat natuurlijk extra leuk is omdat we zelf geen kinderen hebben. Mijn jongste nichtje (bijna 1) had al wat op een gitaar zitten pingelen en mijn andere nichtje (9) en neefje (8) leefden zich uit op een keyboard. Als dat zo doorgaat kunnen we ooit een familieband oprichten ;-).

Voor mijn oma waren de kerstdagen een kleine marteling, want zij had alleen nog de herinnering aan de gezellige dagen die ze normaal met de kinderen (mijn ouders en ik) doorbracht. Die tijd was voorbij en ze liet ook geen andere mensen meer toe in haar leven. Behalve mijn vrouw en ik kwam er niemand meer en dan zie je toch dat iemand langzaam wegkwijnt. Ik heb natuurlijk nog wel even aan haar gedacht deze dagen, maar kwam al snel tot de conclusie dat het voor haar het beste was dat het allemaal voorbij was. Voor mijn ouders was het leven te kort, maar voor haar duurde het te lang. En ook al zijn de overledenen niet meer lijfelijk aanwezig, uit mijn gedachten zijn ze nooit.

image

Kurk of schroefdop

De man van de slijterij keek ons verbaasd aan toen mijn vrouw vertelde dat we normaal wijn uit een fles met schroefdop drinken. Hij had vast wel door dat we groentjes zijn en niet lang geleden nog slobberwijn dronken: zoete witte wijn die zo gemakkelijk naar binnen glijdt alsof het frisdrank is. We waren overgestapt naar droge witte wijn en fruitige rode wijn. Die dag kochten we een fles Chianti Classico uit 2010. Ik heb ooit in die streek in Toscane vlakbij een wijnboerderij gelogeerd maar geen druppel alcohol gedronken. De eigenaar van ons logeeradres liet wel zien hoe de wijn werd gemaakt, maar om eerlijk te zijn had ik meer oog voor het met druivenranken en cypressen versierde Toscaanse landschap dan voor al die vaten en ketels.

We hadden vorig jaar tijdens onze huwelijksreis op Sicilië voor het laatst een flesje wijn geslacht. Er stond een fles rood voor ons klaar in ons appartement, maar een kurkentrekker was nergens te vinden. We hadden niets te drinken en het water uit de kraan smaakte niet lekker. We besloten om de volgende dag gelijk een kurkentrekker te kopen en gingen met een dorstig gevoel naar bed.

De fles met Siciliaanse wijn ontkurkten we zonder problemen. Maar de Chianti liet zich niet kennen. We draaiden de spiraal helemaal in de kurk, mijn vrouw hield de fles vast terwijl ik met alle kracht de kurk uit de fles probeerde te krijgen. Er gebeurde niets. De kurk in de fles duwen zou een optie kunnen zijn, maar zelfs dat lukte niet. Na minutenlang gehannis en geworstel gebeurde er toch een wonder. Met de laatste kracht in mijn lijf en na een enorme knal konden we eindelijk twee gevulde glazen op tafel zetten. Proost. Best lekker, zo’n Chianti.

Een week later waren we in een wijnzaak in Bergen en daar werd ons verteld dat een fles wijn met kurk heus niet beter is dan eentje met een schroefdop. Volgens de winkelier gaat kurk er na verloop van tijd zelfs uit. Dat scheelt weer.

De man van de slijterij zei dat onze kurkentrekker waarschijnlijk ongeschikt is. Er moet minstens een breinaald in de spiraal passen. De kurkentrekker uit Sicilië hadden we in een souvenierswinkel gevonden. Laatst een tweetrapskurkentrekker gekocht, daar kregen we een andere fles wijn met iets minder moeite mee open. Maar goed, doe mij maar een fles met een schroefdop…

1 2