Noord

Tijdens de eerste vakantie zonder mijn ouders stelde ik mezelf voor aan de mensen die naast ons appartement zaten. Ik zei dat ik uit ‘Groningen’ kwam. De man begon te proesten van het lachen en keek me aan alsof ik een geintje maakte. ‘Zo, zo, uit Groningen.’ Het gesprek was daarna snel ten einde. Ik ging naar binnen en vroeg me af wat ik verkeerd had gezegd. Toen drong het tot me door: op een eerdere vakantie riep iemand me na toen ik tegen mijn vader zei dat het “viefendatteg groaden!” was. Dat was blijkbaar zo amusant dat het me de rest van de vakantie achterna werd geroepen.

Nou ben ik niet zo snel van mijn stuk gebracht als iemand me beledigt of op wat voor manier dan ook uit de tent probeert te lokken. Maar er zijn legio Groningers die zich gediscrimineerd voelen als ze door iemand uit (bijvoorbeeld) de Randstad als een soort van inboorlingen van Nederland worden beschouwd. Volgens sommigen houdt alles boven Zwolle op. Daniël Lohues schreef eens in een column dat hij een stel uit ‘het westen’ hoorde zeggen dat ze het belangrijk vinden om een achtergebleven gebied als Drenthe een financiële impuls te geven door ons vakantiegeld er uit te geven.” Econome Heleen Mees stelde al eens voor dat wij Noorderlingen beter konden emigreren naar de grote steden in het westen, dan hadden we ook geen last van de aardbevingen. Jort Kelder zei laatst bij Jinek dat ‘niemand vrijwillig in Oost-Groningen gaat wonen’.

Er zijn zelfs mensen die ons Noorderlingen maar een bekrompen volkje vinden terwijl ze Amsterdam nog nooit uit zijn geweest.

Laat ze maar praten, denk ik vaak. Maar heel af en toe begint het mij ook te irriteren. Harde grappen maken over de problematiek die is ontstaan door de gasboringen zijn wat mij betreft ongewenst. Zeker omdat heel Nederland profiteert van het gas dat hier wordt gewonnen. Heel veel mensen zitten met de gebakken peren en zien de scheuren in hun huis met iedere nieuwe aardbeving groter worden. Hopelijk is een beetje respect niet teveel gevraagd; de Amsterdammer Theodor Holman heeft de Groningers in elk geval met deze column een steuntje in de rug gegeven. Dank u.

Geen piezelmietjes

Er stond een behoorlijke rij bij de kaasboer, maar ik vind het nooit erg om te wachten. Vaak is het maar een kwestie van minuten en soms kun je dan een leuk gesprek met een andere wachtende aanknopen. Dit keer stalen twee kindjes de show. Een mevrouw bestelde een pond geitenkaas. “IEW!” riepen de kleintjes en keken met een vies gezicht. Tja, geitenkaas, wie eet dat nou? Kaas komt toch van een koe? Dat is voor veel kinderen normaal. Sterker nog, voor veel volwassenen ook.

Toen mama had betaald, vroegen ze om een plakje kaas. De kaasboer zei met een glimlach: “Zal ik jullie dan maar een stukje geitenkaas geven?” De kindjes namen het aan en peuzelden het zonder zeuren op. “Lekker!” zeiden ze gelijktijdig. Zo zie je maar, kinderen eten alles, als je ze maar de kans geeft.

Ik denk dat veel ouders het snel opgeven als een kind iets niet lust. Op die manier creëer je wat we in het Gronings “piezelmietjes” (slechte eters) noemen. Ouders die eten als beloning gebruiken. “Als je je best doet, krijg je patat. En anders moet je je broccoli opeten!” Helemaal verkeerd in mijn ogen. Al vinden sommigen dat ik me als niet-vader daar niet mee moet bemoeien. Dat doe ik natuurlijk wel, want een mening hebben mag.

Ik at als kind ook alles, maar dat komt vooral omdat mijn moeder me alles voorzette. Op die manier leer je een kind aan allerlei smaken wennen, van bitter naar hartig, van zoet naar zuur. Er zal altijd iets zijn wat je minder lekker vindt en een kind smeken/dreigen iets op te eten werkt ook niet. Maar door als ouder je kind van alles te laten proeven krijgen ze later een groot eet-repertoire. Met als voordeel dat ze door gevarieerd te eten alles binnen krijgen wat ze nodig hebben.

piezelmietjes blogje

Ik proat plat!

groningen-popko-haileleven3-e1334318480980

© B. van Vondel / www.veendammer.nl

“Ik proat plat”, oftewel ik spreek in het Gronings dialect. Al sinds heel lang; ik kan me niet herinneren dat ik het niet sprak. Voor mij is het doodnormaal. Toen ik nog in loondienst was, switchte ik dag in dag uit moeiteloos van het Gronings naar het Nederlands en weer terug. Een aantal collega’s spraken geen Gronings en dat vond ik best vreemd. Vooral als ze altijd al in onze provincie hadden gewoond. Maar goed, sommige mensen vinden het blijkbaar lomp of boers klinken. Ze halen hun neus op voor ons dialect, maar kunnen ook niet ‘gewoon Nederlands’ spreken. “Je kin an mij helemaal niet hoorn dat ik uut Groningen kom,” zeggen ze dan in een soort halfbakken taaltje. Ondanks dat je vast aan mijn tongval kunt horen dat ik Groninger ben, durf ik wel van mezelf te zeggen dat ik redelijk fatsoenlijk ‘Hollands’ kan praten. Zonder te knauwen en elke “n” in te slikken.

Ik ben best jaloers op de Friezen. Zij hebben echt een taal, al schijnt die (net als het Gronings) al heel wat veranderd te zijn door de jaren heen. De Friese taal is zelfs een vak op school en dan is het ook logisch dat je tijdens een bezoekje aan die provincie het kleinste kind in het Fries hoort spreken. Ik vind dat erg leuk, net zoals dat er veel (kinder)boeken zijn in de Friese taal.

Terug naar het Gronings. Je hebt heel veel Groninger artiesten, zoals Roelof van der Velde, Harry Niehof en Bert Hadders die een leuk repertoire hebben opgebouwd en het dialect via de muziek in stand houden. Vroeger had je eigenlijk alleen Ede Staal, door velen nog steeds gezien als de enige echte Groninger troubadour.

Eén van de twee zangeressen waarmee ik in een band zit, zette deze week een filmpje online waarin zij een duet zingt met een (voor haar onbekende)  man uit een ander dorp uit de provincie. “Proat Grunnegs mit mie”, een bewerking van Kenny B’s “Parijs”. Het filmpje werd veel bekeken en gedeeld en de teller staat inmiddels op 19.000 weergaven. Reden genoeg voor een vermelding op TV Noord. Erg leuk gedaan, en ook grappig voor een ieder die nieuwsgierig is naar het Gronings. Op deze manier heb je het vast nog niet gehoord…